top of page
  • Jane Leusink

Meander Interview Kraanvogels

door Cora de Vos

foto © Wisemice




Jane Leusink (1949) studeerde Nederlandse taal- en letterkunde en literatuurwetenschap. Ook volgde ze een studie kunstgeschiedenis. Met haar eerste bundel Mos en gladde paadjes (2003) won ze de C. Buddingh’prijs. In 2022 verscheen haar zesde bundel Kraanvogels. Ze is sinds tien jaar verbonden aan de Schrijversvakschool in Groningen.

Gefeliciteerd met je nieuwe bundel Kraanvogels. Louis Stiller noemt deze bundel ‘achteloos prachtig’. Zo achteloos heb je deze vast niet geschreven. Waarom denk je dat hij deze uitdrukking gebruikt? Ik heb het hem niet gevraagd, maar met ‘achteloos prachtig’ bedoelt Stiller ongetwijfeld: schrijven alsof het je geen enkele moeite kost. Hij geeft daarmee een geweldig compliment. Je laat als maker/dichter immers niet graag zien hoeveel tijd, inspanning, slapeloze nachten en zweetdruppeltjes iets je wel of niet heeft gekost…

Als lezer van Kraanvogels voel ik me soms een buitenstaander, omdat je gedichten over ingrijpende privégebeurtenissen gaan als de dood van je man en van je dochter. Ook is er enige historische kennis nodig om de achtergrond van sommige gedichten te begrijpen. Hoe dichtbij wil je de lezer hebben? Eerlijk gezegd denk ik nooit zo na over de lezer als ik aan het schrijven ben, ik zoek dan dingen uit, probeer zin en patroon te ontdekken in het turbulente leven dat me omringt en waar ik deel van uitmaak. De afstand tot de gebeurtenissen die daardoor ontstaat, geeft me juist zicht op mijn verbondenheid met de mensen en de wereld. Het geweldige van poëzie is dat een gedicht niet van emoties maar van woorden is gemaakt en dat het met die woorden een nieuwe, mogelijke werkelijkheid schept. Natuurlijk, soms laat het de lezer achter met raadselachtigheden en open plekken. Tegen mijn leerlingen zeg ik dan dat raadsels juist spannend en intrigerend zijn en dat je ze vaak met geduldig lezen wel kunt oplossen. Het gedicht opent zich dan min of meer spontaan, wat een heel blij moment is; aan de andere kant mogen open plekken ook gewoon open blijven.

Wat is de reden dat je zulke lange gedichten schrijft in Kraanvogels? In deze bundel, maar ook al in de vorige Een grazende streep in de lucht probeer ik in lange geschiedenisgedichten vorm te geven aan begrippen als groei, afscheid, dood, rouw. Ik verbind mijn eigen (lees)ervaringen met (historische) gebeurtenissen die mij hebben geschokt, maar die ik niet altijd zelf hoef te hebben meegemaakt. Je hoeft om die schok na te voelen ook echt geen geschiedenisboek te raadplegen, liever niet zelfs. Het gaat me om oprechtheid en (on)volmaaktheid, te beginnen bij mijn eigen woorden als ik schrijf over mijn dochter. Maar het gaat me ook om de woorden van Lenin in Wat te doen en om die van de punkrockband Pussy Riot. Om de sloophouten meubels van Maarten Baas en de kromme komkommers van onze welvaartsmaatschappij. Maar het gaat me vooral, want dat is tijdens het familieonderzoek ook erg dichtbij geraakt, om de woorden en het stemmen met de voeten van een grootvader, om de woorden van een grootmoeder en een Duitser op het appelplein van vernietigingskamp Sobibor. Dan zijn er nog de woorden van de Balinese vriendin, die van woordenboekenidealist Kornelis ter Laan met zijn verheffingsgedachte en die van Erwin Olaf bij Catwalk en Robert Graves toen hij na de slag bij Mametz tijdens de Eerste Wereldoorlog het geschonden bos in liep.

Bijzonder dat je foto’s gebruikt in je bundel. Waar komt dit idee vandaan en wat is de functie? Foto’s voeden de verbeeldingskracht en geven me de sensatie van het voorbije, wat geweest is, maar wat er tegelijkertijd nog is. Het is fascinerend om naar foto’s te kijken. Ook in literaire non-fictie staan vaak foto’s, niet alleen ter illustratie, maar wat mij betreft ook als eigenstandige fenomenen, raadselachtig. Ik ben een fan van de boeken van W.G. Sebald, hij zet kiekjesachtige foto’s in zijn boeken die de fascinatie van de lezer op scherp zetten. Je kunt ernaar blijven kijken.

Op een van de foto’s staat de tekst bij een skilift: ‘Knelschuh, willst du mich heiraten?’ Deze regel gebruik je in een gedicht. Toen ik het gedicht had gelezen, kreeg ik deze absurde vraag niet meer uit mijn hoofd, de tekst bleef rondzingen. Wat daagde jou uit in deze vraag? Haha, ja, leuke vraag, mij gebeurde hetzelfde. Ik skiede in dat gebied met een vriendin en iedere keer dat we na een afdaling de skilift namen, raakten we niet uitgepraat over de mogelijke context van deze tekst die zich bevond aan de voet van de enorme pion waar we in onze stoeltjes langs zweefden. Het was zo grappig, wanhopig, humoristisch en ironisch dat het mijn verbeelding een enorme boost gaf. Het gedicht is het resultaat van die boost, uitkristalliserend in het dramatische einde ervan. –

Overwintering in een gerenoveerd stadsappartement (fragment) Bijna nooit meer keerden wij terug van foute damesvakanties op dito latten. We zeiden dat nu we ons bijna nooit meer in deze sneeuwvolle kitsch ophielden, we deze hobbel rustig konden nemen: zwarte piste.

Knelschuh, willst du mich heiraten?

Lazen we vanuit ons skiliftstoeltje op de betonnen sokkel van de langs glijdende pilaar. Mijn praatgrage vriendin glimlachte ontroerd: wij de ranken slanken begeerlijken, bijna nooit meer plaagden ons angsten, smetvrees en verkeerde mannen. Bijna nooit meer zag je ons puur en liefdevol de verleidelijkste fouten maken. Fouten, het zijn de steigers die de verbeeldingskracht stimuleren, zet ze op een voetstuk.

Knelschuh willst du mich heiraten?

Keer op keer op keer waren daar die onhandigste aller letters. Let wel bijna nooit meer waren wij met minnaars dat wil zeggen bijna nooit meer zag je ons nog appels aandragen. Laat staan een granaatappel. […]


Je geeft les aan de Schrijversvakschool Groningen. Ongetwijfeld zul je daar studenten beïnvloeden met je poëzie. Komt het omgekeerde ook voor? O ja, het is uiterst boeiend, maar ook inspirerend te zien en te lezen hoe leerlingen hun verbeeldingskracht leren inzetten, hoe ze tegen de taal aankijken en hoe ze taal, de woorden dus, op een gegeven moment kunnen gaan zien als iets wat het gedicht voortbrengt. Dat enigszins voor mekaar krijgen is de grote taak van de docent. Het begint vaak bij het leren onderkennen van clichés en hun effecten op het brein.

In de aantekeningen achter in Kraanvogels schrijf je dat je de doden naar je toe moet schrijven, opdat ze waarlijk in je kunnen opstaan en terug kunnen praten. Is dat gelukt? Tijdens het schrijven houd ik me intensief bezig met wat mensen, dichtbij of veraf, beweegt. In alle gedichten probeer ik een brug te slaan tussen hun belevenissen en avonturen en mijn, vaak geschokte gevoel daarover. Soms rechtstreeks, zoals in de De weg naar Andorra waarin ik kijk naar de veelbewogen wereld van mijn overleden dochter, daarbij geholpen door haar brieven en dagboekjes. Al vanaf haar vroegste jeugd bezat ze een groot talent voor reflectie, analyse en filosofie en zo werd ze in de Pyreneeën de eerste schaapherder met op de boekenplanken naast Sartre, ook Leibniz en Abelard. De filosofie in de praktijk beoefenen, zei ze na haar bachelor filosofie. Wij, de ouders, hebben haar pad altijd zo goed mogelijk gerespecteerd, hoewel ik dat zelf, als eerstegeneratiestudent, niet altijd even gemakkelijk vond. Wij herkenden in haar echter zowel onze eigen reis- en treklust als die van de voorouders. En we zagen hoe gelukkig ze was in die gigantische, overrompelende bergen van haar. Ja, ik heb haar zeker naar mij toe kunnen schrijven. Dat geldt ook de overige personen die in de bundel voorkomen. –

Uit: De weg naar Andorra

De plek die je zoekt

Verzadigd van graslucht de gladvochtige bergpas de ochtend betrok als vroeger de rillende paardenruggen in haar doordeweekse jurk was ze klaar voor de aanloop zag ze een weg loopt met mij mee, zag ze de ademloze reset van haar leven in laarzen, de trillende huid van landschap gelooid door zon, kurkdroge winden, woorden die dagenlang in de bergen bleven hangen ze waste secuur haar handen, haar korte haren vlaste op een enkele zin met iets betekenisvols erin wat toch grammaticaal was –

Zij trokken dat niet

De jongen sprak en zei, zich plechtig tot het dal wendend: ‘Goedemorgen allemaal, ik stel u graag onze Noorse Victor voor, een blonde fjord, naast hem ziet u Rodja, een blauwzwarte pony uit Mongolië, naast Rodja Roos uit Nederland ikzelf ben Chiel, wij heten u hartelijk welkom en dito vaarwel, u moet weten: nooit keren wij weer’ Samen duwden ze met kracht een stelletje moeders opzij, grote borsten, dikke billen stonden het uitzicht op deze roadtrip te belemmeren. Zij trokken dat niet –

Wat zijn je plannen na deze zesde bundel? Heb je al een nieuw thema op het oog? Al meer dan tien jaar onderzoek ik de Russische, Poolse, Joodse familiegeschiedenis van mijn man. Ik schreef er al over in Kaddisj, in Een grazende streep in de lucht, en begon in die bundel te experimenteren met lange gedichten. In Kraanvogels is het eerste gedicht Dat we hier op aarde zijn, niet in het paradijs gewijd aan de familie. Ik denk en hoop dat ik inmiddels voldoende materiaal heb om als basis te dienen voor een nieuwe bundel, een combinatie van proza, poëtisch proza en poëzie. Dat wordt weer een groot avontuur. –

II uit: Dat we hier op aarde zijn, niet in het paradijs

Dit is mijn requiem voor hem. Iemand fietste onder zijn regenwolk op weg naar het station. ‘s Middags was er die raadselachtige onvoorspelbare onverwoestbare man aan mijn hoofd en handen die stemde met zijn voeten, die schoenen droeg vol liefde voor het materiaal, die zijn stad en land in lichter laaie spoorslags had verlaten maar niet dan nadat hij zich een nieuwe naam (klinkt als suikerzoete lekkernij), bij een bekende patissier in W. had aangeschaft, die reisde trager westwaarts door de landen tot waar een zee hem koeltjes tegenstreefde tot waar een mooiste vrouw hem in het Haagse Pools wakker kuste, zo ook de zoon die ze daarop baarde.

(Alle gedichten komen uit Kraanvogels.)

bottom of page